Column II

We rijden naar de luchthaven, terwijl de zon zachtjes aan onder gaat. Een oranje gloed vormt de achtergrond van de voorbijrazende auto’s op de autostrade, net zoals tijdens het huiswaarts keren van een fijne zomerse dag in een pretpark.
Maar dit is geen fijne dag. Gij gaat vertrekken, ik weet niet voor hoe lang, maar ik weet wel dat ik niet wil dat gij vertrekt. Ik moet u nog veel vertellen. En zeggen. En ik wil nog veel dingen met u doen en beleven. Gij kunt zelfs nog niet vertrekken. Dat gaat gewoon. Dat is te vroeg.

Ik voel me langzaam wegzakken. Maar ik mag niet. Als ik wakker wordt is de kans groot dat ge weg zijt. Of dat ik geen afscheid kan nemen. Dat ik misschien nog niet wakker genoeg zal zijn om goed afscheid te nemen. Ik wil niet wegglijden in slaap. Mag…. Niet…..Moet……Wakker……Blijven.

Ik schiet wakker. Ik ben weggegleden. Ik heb geslapen! Te lang, sowieso, iedere minuut is een minuut minder van de kostbare tijd die ons nog rest. Ik besef dat ge straks weg zijt.

Een vliegtuig vliegt over en ge kijkt op uw horloge. Ge zegt dat het te laat zal zijn, dat ge zelf maar nipt op tijd zult zijn, dus dat we niet moeten uitstappen, dat we u gewoon moeten afzetten zodat ge direct kunt vertrekken, geen te lang afscheid.

Ik pak u vast. Ik zit wel op de achterbank en gij rechts van voor, maar ik pak u vast. Het kan me niet meer schelen. Mijn ogen schieten vol tranen. Ik wil u verdorie niet kwijt. Ik wil dat ge bij mij blijft, voor altijd. Hier. Ik heb u nodig, ontzettend hard.
Tegen wie ga ik nu moeten babbelen, als gij zo ver weg zijt? Wie gaat er mij een knuffel geven?

Als gij gaat, dan ben ik alles kwijt. Gij zijt mijn alles. Het voelt alsof ze een stukje van mij scheuren, tergend langzaam. Ik wil geen afscheid nemen, ik ben daar nooit goed in geweest, maar bij u ligt het allemaal zoveel moeilijker. Ge zijt niet iemand, ge zijt een stukje van mij, net zoals ik een stukje van u ben. Ge kunt geen “stukje” DNA afsnijden. Klonen zoveel als ge wilt, veranderen ook een beetje, maar ge kunt er niet in knippen.

Ik pak u nog steviger vast, en terwijl een traan over mijn wang rolt geef ik een kus op uw wang. “Geniet daar, en kom terug. Zo snel als ge kunt. Ik kan niet langer zonder u.”

Ge lacht en knijpt uw ogen eens dicht. Maar ge zegt niks. Ik vraag me af of ge ’t zelfde over mij voelt. Gaat gij mij wel missen? Gaat ge überhaupt wel aan mij denken?

Ik knijp nog harder, en tranen vallen in overdreven snelheid naar beneden….

En dan schiet ik wakker, met het nare gevoel zoals alleen dromen ze achterlaten. Ergens loopt ge hier nog rond, maar u loslaten, dat doe ik nooit. En als gij ooit vertrekt, dan ga ik met u mee.

Advertenties

3 gedachten over “Column II

  1. Mooi geschreven, wel zielig natuurlijk. En als ik dan een beetje met het vingertje mag wijzen 😛 (ook al was het dan een droom), het is niet goed om je zo aan iemand vast te klampen en te zeggen dat iemand je alles is, want je kunt mensen ook kwijt raken en dan heb je niets meer. De enige aan wie je je moet vastklampen is aan jezelf, want met jezelf ben je altijd en sowieso!

    Like

  2. Oooh wauw heel mooi geschreven, werd er zelf een beetje emotioneel van! (Eraan denkende dat ik in september 6 maanden op Erasmus ga en ook niemand hier wil ‘achter laten’) Maar ik ga wel akkoord met Laura hier boven mij!

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s