Column XXI

Ze lagen tegen de oude Volkswagen. Hun hoofden rusten op een groot, zacht kussen en ze lagen onder een afgespannen zeil dat een soort afdak vormden en over hen een zacht donsdeken. Ze zouden vannacht buiten slapen, hier op de afgelegen wei. In de wijde omtrek was geen levende ziel te bespeuren en al wat je kon horen was het knisperen van het kampvuur dat ze enkele uren geleden hadden aangestoken en het geluid van de krekels. Beneden in het dal konden ze de kleine stad zien leven. Lichtjes die branden, veelal oranje, hier en daar lichtjes die aan en uit pinkten.

Vanaf hier zaten ze tussen twee schitterende sterrenhemelen gevangen. Boven de echte, beneden de drukte. Ze zaten in de realiteit en toch waren ze even weg van alles. Hij legde z’n arm zacht rond Roos en fluisterde “dankje”.
Ze glimlachte, kroop wat dichter tegen hem en legde haar hoofd op zijn schouder.

Ze had vanavond uren gitaar gespeeld. Verder gegaan dan waar hun muziek gestopt was. Ze hadden samen The Beatles mee gekweeld, een duet gezongen van Damien Rice, maar ze hadden vooral plezier gehad. Ze hadden samen gedanst. En nu zaten ze hier, tegen hun busje die hun al honderden kilometers van thuis had gereden. Het busje die ze als de derde persoon op hun reis hadden gaan beschouwen. Als hun thuis. Want dat was het.

Het was het oude Volkswagenbusje waar ze ’s ochtends samen een koffie dronken, ontzettend straf zoals alleen Roos ze kan zetten, maar enorm goed. Het was het oude Volkswagenbusje dat hen beschermde tegen de regendruppels tijdens het glijden tussen de landschappen ’s middags. Het was het oude Volkswagenbusje dat hen ’s nachts warmte gaf. Ze moesten dan wel vrij dicht tegen elkaar liggen, het had nooit een probleem gevormd. Ze vormden elkanders warmtebron tijdens de koudere nachten, ze vormden elkanders aanspreekpunt na een nare droom.

Het was pas na enkele dagen dat hij gaan beseffen was dat ze niet alleen zijn droom aan het realiseren was. De gedrevenheid, het plezier, de passie die hij in haar zag overdag… Nee, hij had ontdekt dat zij hier ook van had gedroomd. Van dit reizen, van dit weg zijn van de wereld. Ze hadden thuis nog niet één keer gemist. Thuis was een plek geworden waar het donker was, waar de pijn gebleven was. De pijn niet mee was op reis, die niet welkom was in hun Volkswagenbusje.

En toch hadden ze al gesprekken gehad over hun leven. Over dingen uit het verleden en toekomst. En toch was het tot nog toe een reis zonder angst of pijn geweest. Het was een reis van thuis komen geweest. Een nieuwe thuis.

Het kampvuur knisperde, het vuur was stilaan aan het uitdoven. Zacht drukte hij zijn lippen tegen Roos’ voorhoofd en hij kon haar hand een licht neepje voelen geven in de zijne. Hij was haar dankbaar. Dankbaar omdat ze hem had gered, dankbaar voor de reis. Dankbaar.

Het trok het deken wat hoger en de kap van Roos’ trui over haar hoofd en fluisterde:
“Slaapzacht”

Advertenties

Een gedachte over “Column XXI

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s