Mijn Rode Neuzen-verhaal: over autisme

Zaterdag vindt de slotdag van de Rode Neuzen-actie plaats. Het meer en beter bespreekbaar maken van mentale problemen bij jongeren. Over problemen die er zijn, maar niet zichtbaar. En omdat we daar veel te weinig over kunnen/mogen praten, want het taboe is nog steeds veel te groot, ondanks steeds meer en meer mensen te maken krijgen met mentale problemen. Op gelijk welke manier, iedereen heeft zijn verhaal. En praten helpt.

Iedereen kent wel iemand die gepest is. Of is zelf gepest. Ook ik, in het tweede middelbaar. Door een jongen die per ongeluk over mijn problemen wist door het toedoen van een leerkracht die haar “versprak” tijdens een oudercontact. Of je het echt verspreken kan noemen wanneer het vermeld wordt als antwoord op de vraag “wat voor soort volk er in de klas zit”? Misschien maakt het dat ook meteen duidelijk dat de jongen in kwestie van een ‘betere afkomst’ was en misschien wel moest pesten om zelf niet gepest te worden met zijn tic nerveux. Hetzelfde jaar slaagde hij erin een jongen die overduidelijk voor de jongens viel maar daar zelf nog niet volledig klaar voor was om naar buiten te komen buiten te pesten. Toch bleef hij jarenlang het hand boven het hoofd gehouden worden door de leerkrachten en directie op school. Gelukkig zakte ik van het tweede naar derde middelbaar van de TSO-opleiding ‘Handel’ naar de BSO-opleiding ‘Kantoor’ waar ik terecht kwam in een kleine klasgroep met klasgenoten die stuk voor stuk ook vrienden werden en waar we het voor elkaar opnamen als het nodig was, elkaar vooruit hielpen wanneer we konden en daartussen gewoon elkaar echt heel graag hadden. Een warme groep met een heleboel fantastische leerkrachten die ons leerden in onszelf geloven en ons boven onszelf deed uitstijgen. Uiteindelijk haalde ik best goede punten in het secundaire onderwijs en zette ik mijn schoolcarrière verder in het hoger onderwijs, ondanks mijn secundaire opleiding me daar nooit heeft op voorbereid. Ook dat verhaal wist ik, zij het over een iets langere periode dan het modeltraject voorschrijft, te behalen.

Zoals ik dus eerder al in deze post aanhaalde heb ik autisme (of daarmee ben ik toch gediagnosticeerd, want hoe kan je iets hebben wat je niet ziet? ;-)). Vanaf het vierde leerjaar tot ongeveer het vijfde middelbaar ging ik wekelijks (en in het begin zelfs tweemaal per week) naar de psychologe (Nathalie) en daartussen deed ik ontelbaar veel bezoeken bij psychiaters en een heleboel andere soort dokters (zelfs een neus-, keel- en oorarts die meer leek weg te hebben van een mijnwerker…) voordat die diagnose gesteld werd. Telkens weer dezelfde vragen en verhalen. Zoals die ene psychiater die mijn woede-aanvallen van toen omschreef als voor het rood licht komen om extra gas te geven bij rood. (Je gaat je na een tijd gaan afvragen wie van de twee personen in de kamer het meeste hulp nodig had…)

Ondertussen volg ik al zo’n 10 jaar geen therapie meer en bezoek ik al even lang geen psychologe meer. Maar ik volgde wel therapie, en samen met de klas-omgeving uit Kantoor hielp me dat enorm vooruit. Heel veel mensen hebben nooit echt door dat ik een autisme-spectrumstoornis heb, en de vrienden die wel op de hoogte zijn vergeten het heel vaak. Dat zijn allemaal mooie complimenten, maar zelf merk ik het dagelijks wel op. Iedere dag opnieuw word ik zelf geconfronteerd. Want uiteraard hou ik rekening met wat ik tijdens die therapie-sessies oppikte.

Het is tijdens een gesprek honderden vragen per seconde door je hoofd horen flitsen, en tegelijk toch aandacht bij het gesprek willen houden. ‘Kijk in de ogen van m’n gesprekspartner?’; ‘wat doe ik met mijn handen?’; ‘lijk ik wel geïnteresseerd genoeg?’; ‘hoe ga ik dit gesprek gaande houden?’; ‘hoe ga ik laten blijken dat ik het gesprek volg?’; ‘het valt toch niet op dat al die vragen door mijn hoofd flitsen?’; ‘kijk ik niet te lang in de ogen?’; ‘nee, mijn blik mag niet afdwalen?’;… Ieder gesprek opnieuw, bij iedere persoon. En dan heb ik het nog over gesprekken met mensen die ken. Met mensen die ik niet ken flitsen de vragen nog aan een hoger tempo door mijn hoofd. Anderzijds ben ik telkens weer trots als ik sociaal contact had met een vreemde, want dat is telkens weer een overwinning op zich. De top bereiken van de Himalaya zeg maar.

Het zijn ook de vele prikkels proberen te verwerken die je binnenkrijgt bij een omgeving die je niet vertrouwd is. Geluiden die van overal lijken te komen, tien gesprekken die je allemaal tegelijk volgt. Een vogel die je rechts voorbij vliegt, een licht dat aangaat links achter je, een wagen die plots remt voor je, rechts een skater die valt,… Allemaal tegelijk. Teveel en geen focus kunnen leggen omdat je niet alles tegelijk geregistreerd krijgt. Het is telkens opnieuw de puzzel in elkaar proberen te doen passen, maar niet de juiste puzzelstukken hebben en wanneer de puzzel dan toch in elkaar lijkt te klikken alweer aan een nieuwe puzzel moeten beginnen. Dagelijks opnieuw.

Het is de chocolade Sinterklaasposturen niet willen opeten want die hebben een gezicht en leven dus. Het is het niet willen verliezen van een etiket aan je kleding en ze dus maar bewaren op je kast tot het stapeltje toch te groot wordt, niet langer een betekenis heeft en dan toch maar in de vuilbak belandt, behalve dat één etiket dat uit die ene winkel uit die ene stad komt van die ene uitstap waar je mooie herinneringen aan bewaard. Het is het verliezen van één van je persoonlijke spullen. Het blokkeren als de planning plotseling toch licht wijzigt, dat ene restaurant waar je zou gaan eten niet open blijkt of jouw gezelschap toch niet langer trek heeft in spaghetti maar frietjes. Het is het niet kunnen laten liggen van die teddybeer in de speelgoedwinkel omdat ie zo triest kijkt en dus echt met jou meewil.

Het is het ’s nachts in bed liggen, na een dag waar je al die input kreeg maar nog niet kon verwerken de vraag in je hoofd horen opduiken of dat die ene persoon nu toch niet korter reageerde dan anders, twijfelen of dat die ene persoon toch niet boos is want je hoort de persoon in kwestie precies toch minder dan anders en deed die de laatste keer ook al niet korter tegen je? Het is het je afvragen of je dat gesprek met je collega ’s ochtends toch goed hebt aangepakt of je uiteindelijk toch vreemde dingen zei zodat die persoon je voor de rest van je leven als een weirdo zal aanschouwen. Het is het je afvragen of je niet vreemd wandelt op straat, niemand je nastaart vanwege die nieuwe sjaal  want zit die nu niet heel vreemd geknoopt?

Het is het horen van geluiden die anderen niet horen vanwege je hyperakoestiek. Het moeten wegrennen van die oude beeldbuis-televisie voor de bewakingsbeelden in de winkel met een ontzettend aanwezige hoge pieptoon die niemand horen kan. Het is het kunnen horen van geluiden van bij de buren die anderen niet registreren. Het is het gefriemel horen aan een deken, het geprutst aan nagels.

Het is continu kortsluiting, continu blokkeren maar input blijven krijgen die je niet verwerkt krijgt en steeds harder crashen als je niet op tijd rust kan vinden in jezelf door je af te sluiten van de alsmaar verder draaiende wereld.

Dat is mijn verhaal. Mijn wereld. Iedere dag opnieuw. En ik hoop dat we die wereld vrij kunnen maken van een taboe op verhalen van problemen die je niet ziet maar er wel zijn. En ik hoop dat we dat kunnen doen met een rode neus van het lachen. Iedere dag opnieuw.

Advertenties

5 thoughts on “Mijn Rode Neuzen-verhaal: over autisme

  1. Erg mooi neergeschreven Troy :-).
    Heel sterk van je! Dit doet mijn bewondering voor jou alleen maar groter worden en die was al gigantisch.
    Bedankt om het zo duidelijk uit te leggen, helpt mij ook om mijn vriend Bart beter te begrijpen.
    Alleen wens ik nu dat ik toen wist wat ik nu weet.
    X

    Liked by 1 persoon

  2. Erg goed geschreven,Troy!
    Bij sommige dingen moest ik wel schrikken, veel dingen lijken voor ons normaal maar voor iemand met autisme moet daar een betekenis achter zitten. Verbeter me als ik fout ben maar volgens mij zijn mensen met autisme veel meer bezig met het ‘waarom’-aspect van iets.

    Ik heb nog lang op een jongen van zijn 8-9 tot 13 jaar gebabysit die autisme had, en dit was vaak een grote opdracht om hem zijn tanden te laten poetsen of in bed te krijgen, Gelukkig kon hij na een tijdje aan mij wennen 🙂

    Knuffel!

    Liked by 1 persoon

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s